Fragment De vloek van de amulet

Fragment 1:

‘Goedemorgen allemaal. Opstaan. De rivier wacht al op ons.’ Voor zover ze nog niet wakker waren, werden ze dat nu wel van het lawaai dat Brian maakte.
‘Kom Shanti, op naar Stoelmanseiland.’
‘Ik ben ziek.’ Shanti begon te huilen. ‘Ik kan me nauwelijks bewegen van de buikpijn.’
Brian schrok. ‘Je hebt toch geen blindedarmontsteking?’
‘Ik weet het niet,’ snikte Shanti. ‘Ik heb vannacht wel een paar keer overgegeven.’
‘Er is hier een wintigenezer. Die weet alles van geneeskrachtige kruiden. Misschien heeft die iets waar je snel van opknapt.’ Brian liep weg naar een van de hutten.
De gasten stonden een moment medelijdend om haar heen, maar gingen zich toen een voor een wassen.
Al na een paar minuten kwam Brian met iemand naast zich teruggelopen. Hij had gesproken over een genezer. Shanti had onbewust gedacht aan een oude kromgebogen man, model toverkol. In plaats daarvan zag ze een mooie jonge vrouw met een open, vriendelijk gezicht. In haar korte kroeshaar stak een grote kleurige speld en om haar bovenarm droeg ze een opvallende armband. Om haar hals droeg ze een gouden kettinkje met een hangertje in de vorm van twee in elkaar gestrengelde handen.
‘Dag Shanti, ik ben Aretha.’

 

Fragment 2:

In de verte liep een verdwaalde wandelaar met zijn hond, verder was er niemand te zien. Shanti liet haar fiets op de grond vallen, baande zich een weg door het onkruid en glipte onder een paar draden door. Vlak voor haar waren de spoorstaven totaal verroest, maar verderop getuigden blinkende rails van druk treinverkeer.
Ze wachtte.
Kalm.
Een gevoel van macht stroomde door haar lichaam.
In de verte hoorde ze een aanzwellend geluid. De trein! Nu was het nog maar een kwestie van seconden voor ze definitief verlost was. Ze deed een stap naar voren, de armband stevig vastgeklemd. Met twee handen boog ze hem uit elkaar en schoof hem over de rail. Ze durfde er zelfs haar hoofd naast te leggen. Niets kon de vernietiging van de duivelse amulet nu nog stoppen.
Het geluid van de naderbij denderende trein zwol aan, vergezeld door een gefluit dat door merg en been ging. Haar gezicht was nog steeds slechts centimeters van de rail verwijderd. Haar hand klemde de armband nog vaster op de rail. Haar ogen waren gefixeerd op de wol waarmee hij was omwikkeld, ze kon elk draadje onderscheiden.
Het geluid van de trein was nu oorverdovend. Bij het gefluit voegde zich nu het krijsende geluid van blokkerende wielen. Haar trommelvliezen stonden op springen, nog een seconde…